“Toen er in 2003 een oproep verscheen voor projectmedewerkers, hoefde ik niet lang over na te denken; ik gaf me op! Ik zag dit als een kans om mijn door God gegeven talenten in te zetten en zo, via de DVN- dag en de Afrikaravaan, het belangrijke werk van zending en hulpverlening te promoten.

Niet iedereen kan zendeling zijn en in het buitenland werken, maar ook hier in Nederland kun je met je eigen gaven en mogelijkheden je inzetten om dat werk mogelijk te maken. Ik kon mezelf ontplooien, mijn gaven gebruiken in dienst van God en de naaste, op een manier die goed bij mij paste. Ik functioneerde altijd het beste in een coördinerende functie. Zowel op mijn werk als daarbuiten. Een verbindende schakel vormen tussen mensen of groepen van mensen en daarbij iedereen in zijn/haar waarde laten. En als je dan ziet, dat er op zo’n Verre Naasten-dag 300 mensen zich inzetten om er een prachtige evenement van te maken, dan vroeg ik mij weleens af ‘wie ben ik, dat ik dit doen mag?’.

Afnemende belangstelling
Wat mij helaas ook trof, was de afnemende belangstelling voor het werk van Verre Naasten. Althans, als ik dat kan afmeten aan de bezoekersaantallen van de DVN-dag. Een jaar lang ben je bezig met de organisatie van een DVN-dag; je zet samen een fantastisch resultaat neer en dan komen er maar zo weinig bezoekers op af. Dat vond ik pijnlijk. Mijn  teleurstelling zit in de gedachte, dat het een symptoom is van afbrokkelende belangstelling voor kerkelijke activiteiten. Mensen gaan op 2e pinksterdag vooral naar bijvoorbeeld Opwekking of het strand, maar een evenement als de DVN-dag, waar je kunt proeven aan zoveel wat direct of indirect te maken heeft met het zendingsbevel “Gaat heen en maak alle volken tot mijn discipelen”, laten ze links liggen. Houdt God Zijn kerk in stand? Jazeker, maar dat hangt niet af van onze inspanningen, niet van allerlei kerkelijke hervormingen en zeker niet van aanpassing aan de hedendaagse cultuur, maar van Gods werk.”