“Ongeveer 17 jaar lang was ik bestuurlijk en adviserend betrokken bij Verre Naasten om tenslotte te eindigen als deputaat ZHT. Het was een mooie tijd waarin vele betrokken veldwerkers hun ervaringen deelden met ons, bestuurders op afstand. Heel vaak ging het over  beleid, oud beleid, nieuw beleid. Al in de jaren ’80 was participatie van de doelgroep een belangrijk thema; we moesten weg van de top van lokale organisaties en ons richten op de basis, de gewone mensen; samen met hen wilden we ontwikkelingsplannen initiëren en uitvoeren.”

 

Het was een tijd van ups-and-downs; mooie rapporten wisselden teleurstellende overzichten af zonder dat duidelijk werd hoe we dat verschil moesten verklaren en konden overbruggen. Diverse denkmodellen passeerden de revue en nieuwe ideeën over een andere aanpak bevolkten onze vergadertafels. Kon wat in het ene gebied werkte zomaar worden toegepast op een ander gebied, voorgelegd aan mensen van een ander volk met een eigen geschiedenis?

Teleurstelling
Mijn einde bij Verre Naasten kwam eerder dan ‘begroot’ want er zat nog drie jaar deputaatschap ZHT in het vat. Een reëel gevaar van dit werk, hier en ver weg, is demoralisatie: een diep gevoel van teleurstelling in de effecten van het hulpverleningswerk, zo diep dat die teleurstelling je in de weg gaat zitten. Zelf ervoer ik die dreiging vooral door een niet aflatende stroom van ‘nog niet-rapporten’ over de voortgang op Irian Jaya. Een al lang lopend project was nog steeds niet gerealiseerd. Of verantwoording van financiële uitgaven bleef maar uit, ondanks afspraken. Het onderhoud van een simpel pad van de rivieroever naar het dorp leken de dorpelingen nog niet zelf te kunnen uitvoeren. In 1998 werkten we –zending en hulpverlening- er al 40 jaar maar het nemen van eigen verantwoordelijkheid door de Papoea’s bleek een moeizaam proces. Ik gaf direct toe, de Papoea’s kwamen van heel ver, vanuit het stenen tijdperk; de culturele en religieuze afstand tussen hen en ons was enorm en slechts deels in kaart gebracht en verdisconteerd in ons denken.

Stevige discussies
Mijn groeiende teleurstelling had echter ook met onszelf te maken: deden wij het eigenlijk wel goed daar? Vormde de manier waarop wij onze hulp inrichten, als dominees en als ontwikkelingswerkers, niet een obstructie voor vooruitgang? Waren de grote hoeveelheden geld en menskracht die jaarlijks naar Irian Jaya reisden, niet juist de oorzaak van de traagheid van ontwikkeling? De vraag drong zich op om de balans op te maken; wat werkte wél en wat niet in de afgelopen 40 jaar? Iemand opperde het idee een externe evaluatie te laten plaatsvinden door een onafhankelijke buitenstaander. Over deze vragen werd stevig gediscussieerd door deputaten ZHT en de directie van Verre Naasten.  We kwamen er echter niet uit, een voorstel voor externe evaluatie haalde het niet en het beleid bleef in hoofdlijnen meer van hetzelfde. Voor mij was het beter om in 1998 te vertrekken want ik voelde dat ik gedemoraliseerd raakte.

Terug naar Irian Jaya
Vijftien jaar later vroeg Klaas Harink mij mee te gaan op reis naar Irian Jaya, om te kijken hoe het nu ging, om te praten over toen en nu, om terug te kijken en vooruit. We waren nog maar net geland in Merauke of daar steeg een MAF vliegtuig op; ik was overduidelijk op Papoea, zo bekend en toch ook zo ver weg. De vochtige warmte viel als een deken over ons heen. We bleven aan de kust; een tocht naar Boma of Tiau in het binnenland zou teveel tijd kosten. We ontmoetten veel mensen: Papoea’s die ondanks moeizame situaties bleven wijzen naar hun en onze ‘Tuhan=Heer’ en terugkeerden naar het armoedige binnenland om uit te delen van wat zij aan de kust leerden; Papoea’s die in hun eigen land als tweederangs burgers werden behandeld maar toch vastberaden leiding gaven aan een school; zelfs zeer oude Papoea’s waarvan ik de namen nog kende uit rapporten lang geleden.

Het nieuwe denken
In 2013 was er dan toch die externe evaluatie geweest waar Papoea’s en Nederlanders intensief bij betrokken werden. De conclusies bleken verstrekkend: we steunden de ontwikkeling van de GGRI-Papoea, maar zaten die tegelijk in de weg. Aan het einde van 2018 zou Indonesië Mission I Verre Naasten zich volledig terugtrekken uit Papoea en tot tenminste 2023 slechts zeer beperkt steun verlenen. ‘Dat zijn de consequenties van het nieuwe denken’, zei Klaas. ‘Jij stamt nog uit de tijd van het oude denken’. Ik stam uit een tijd dat gedacht werd dat de kerk maakbaar was, een zuivere kerk binnen handbereik, één absolute waarheid, één moraal, één groot verhaal waar de tittel en de jota belangrijk genoeg waren om er de kerk voor te scheuren. In dat haast totalitaire denken was het logisch om zelfs de kerkorde te exporteren naar een ver land als Papoea. Met Gods hulp en het evangelie, geld en goede regels zouden ook daar haast als vanzelf kerken ontstaan. Misschien mag je zeggen dat de teleurstelling over de grote vrijgemaakte verhalen die hier niet uitkwamen en de haast parellel lopende teleurstelling over de voortgang van het werk daar op Papoea, deels berusten op dezelfde conceptuele uitgangspunten en misvattingen.

Erfenis
Toch meen ik dat er heel wat bereikt is op Papoea. Niet zozeer omdat we van die prachtige beleidsnota’s schreven en steeds weer aanpasten op basis van nieuwe inzichten. Ook niet omdat we er zoveel geld investeerden, eigenlijk teveel. Veel van de goede effecten van ons werk daar, als zendelingen, als DVN-ers, als bestuurders en vrijwilligers zijn te danken aan dat ambassadeurschap namens Christus, aan die attitude van passie, betrokkenheid en overgave, aan het commitment van de talloze werkers daar en hier, aan de liefde die zij namens Hem uitstraalden, aan het niet willen opgeven ondanks zoveel tegenslagen. En dat werd gezien in Papoea, dat werkte toen en dat werkt nog steeds door en is misschien wel onze belangrijkste erfenis. God zij daarvoor veel dank! En ach, dat nieuwe denken… las ik niet ergens dat ‘wanneer iemand zegt: kijk iets nieuws, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden was’? (Pred. 1:10)

Tenslotte

Nog even over dat nieuwe denken, daar sta ik helemaal achter. Ik denk dat de koers die Verre Naasten samen met de kerken uitzette, een goede koers is. Toch dreigt een gevaar, nl dat van ‘mission drift’: dat de bureaucratisering toeneemt, de bedrijfskundige aanpak te belangrijk wordt en het oorspronkelijke missionaire elȧn en de theologische inhoud verwatert.[1] Tijdens onze reis merkte iemand met spijt op: ‘Wycliff is al lang geen geloofszending meer’. Ik snap die spijt wel. Ik hoop dat de nieuwe denkers datgene wat goed was bij de oude denkers con amore meenemen.”

 

 

[1] Door Peirong  Lin  in haar proefschrift  beschreven ‘Countering Mission Drift in a Faith-Based Organization’. (Leuven, 2018)