“Het afscheid van onze kinderen op Schiphol herinner ik me goed. Je merkt als zendingskind dat je voor bepaalde zaken gevoelig blijft, zoals uitzwaaien op een vliegveld. Vroeger was het echt afscheid nemen. Ik denk aan mijn opa, ds. Hendrik Drost. Opa en oma Drost hadden één zoon, Meeuwes Kornelis, mijn vader. Hij kreeg het beroep om naar Papoea te gaan voor de zending. Mijn opa zei: ‘Als het om iets anders zou gaan, zou ik zeggen: doe het niet om ons. Maar nu het om de zaak van de zending gaat, moet je om ons niet hier blijven.’ We waren goed en wel op Papoea toen opa overleed.”

 

“Daar op Papoea groeide ik op, van 1956-1962. Dat was zending oude stijl. Vader ging het oerwoud in met kraaltjes en tabak en bracht het evangelie in toenmalig Nederlands Nieuw-Guinea. In 2006 werd ik zelf zendeling, maar het was totaal anders. Je had niet te maken met ongelovige heidenen die peniskokers droegen, maar met medechristenen in een eigen kerk. De geschiedenis van de Oekraïens Gereformeerde kerk is fascinerend. In heel korte tijd kwamen veel mensen tot geloof. En in korte tijd wist het communisme die jonge kerk kapot te krijgen. We mochten helpen bij herstel. Ds. Gerrit Riemer las in de voorbereiding met mij Romeinen 1 vers 11 en 12 als motto voor die nieuwe manier van zending.

 

Romeinen 1 vers 11-12

Ik verlang ernaar u te ontmoeten en u te laten delen in een geestelijke gave,

om u te sterken,  of liever, om door elkaar bemoedigd te worden: ik door uw

geloof en u door het mijne.

 

Als mission-kid had ik altijd verlangen naar verten. Wat hebben we genoten van het reizen. Van ‘ons mooie Oekraïne’, zoals men zegt. Van de natuur. Van de avonturen onderweg met corrupte politie. Het leven was nooit saai. Vooral in het begin toen we de gewoonten en de taal nog niet zo kenden, was alles spannend. Vaak zijn we door Oekraïners vriendelijk en met humor geholpen, ook als ik onzin uitkraamde in het Oekraïens. Ik herinner me dat ik op de markt in Lviv wilde zeggen dat ik op mijn vrouw stond te wachten, maar zei dat ik een echtgenote zocht. De twee verkoopsters kwamen achter de kraam vandaan en zeiden lachend: ‘maak je keuze’.

De zending is een stuk vervulling van mijn leven, al waren er ook best moeilijke zaken. Als ik terugkijk, vind ik dat ik dat wel meer had mogen delen met de achterban in Nederland. In je enthousiasme vertel je gauw alleen de mooie dingen. Het was vaak best ingewikkeld. Je werkt in een situatie waarin niets vanzelfsprekend is zoals in Nederland.  Het is een zegen dat je dan in een team werkt.

Het moeilijkste vond ik dat het vaak over geld ging. Ik lees nu een boek over Papoea. Ja, dat blijf je doen. Er staat een verhaal in van zendelingen die contact maken via tabak. Later vinden ze dat al dat roken niet goed is en vertellen de mensen dat ze geen tabak meer krijgen. De zondag erop is de kerk leeg. Als ze gaan vragen waarom men niet naar de kerk kwam, krijgen ze het antwoord:  ‘geen tabak, geen halleluja’.[1] De zending heeft altijd te maken (gehad) met dat punt: help je echt of maak je afhankelijk van Nederland? Ik haat het, maar het speelt altijd en overal een rol.

Maar zending en mission heeft me zoveel moois gebracht, nu in India en ook Afrika. Daar ben ik God echt heel  dankbaar voor.”

 

[1] Mathieu Smedts, Geen tabak, geen Hallelujah. Nieuw-Guiena,1956 Voorhout