“Op de Filipijnen mochten wij twee jaar lang helpen met de opbouw van het christelijk onderwijs en de zondagsschool. Als gezin waren we nog nooit voorbij de grens van Europa geweest. En dan zomaar familie en kerk achterlaten in een tijd dat mail nog een postzegel nodig had en er minstens drie weken over deed voor het aankwam…

Elke twee maanden ging ik naar een van de zeven kerken. Deze lag als enige op het eilandje Guimaras. Dit keer mocht onze dochter Neelke (6 jaar) mee. We gingen vroeg op pad en toen we in het grote dorp aankwamen namen we een fietstaxie. Ik zei “Ali’s Church, please.” De man knikte en fietste. Want Ali’s Church is een begrip.
Halverwege de middag dronken Ali en ik – na mijn werkbezoek – een kop koffie in zijn tuin. Het zelfgebouwde huis stond iets verderop. Uit het niets vroeg ik aan Ali: ”Waarom bouwde jij je huis naast de kerk en de school? Even verderop had je over de hele vallei kunnen uitkijken.”

Ali  vertelt…
Een piraat op de knieën

”Een jaar of tien geleden was ik net met Susan getrouwd. En ik was toen rijk, heel rijk. Een maat en ik hadden jaren daarvoor een snelle boot waar we rond dit eiland en bij Panay fuiken leegden, mensen overvielen en inbraken deden. Van het geld leefde ik goed en toen ik Susan ontmoette kreeg ze alles wat ze wilde. Totdat we trouwden. Want een paar weken na ons huwelijk werd ik ziek. Koorts, overgeven… wekenlang, maandenlang. Susan is altijd heel gelovig geweest en bad voor me. Ik vond het vreselijk. Ze kende mij niet echt. En het was juist God die me ziek maakte. Ik kreeg eindelijk de straf die ik verdiende. Ik raakte uitgemergeld, zwak en was aldoor maar bang. Bang dat Susan ontdekte wie ik echt was. Bang dat ik dood ging  en naar de hel zou gaan. Bang, bang, bang.”

Bamboehuis op palen
“In die tijd woonden we ook op dit terrein,” vertelt Ali. “In zo’n bamboehuis dat op palen staat met afrastering die alle dieren eronder vandaan houdt. Op een nacht lag ik in bed met hoge koorts. Susan bracht me water toen ik opeens gekraak, gescharrel en geknor hoorde. Ik dacht dat het een  koortsdroom was. Maar Susan hoorde het ook en was bang. Vanaf de rand van het bed scheen ik met een felle zaklantaarn tussen de latten en het horrengaas door en zag een enorme zwarte schaduw onder het huis bewegen. Ik dacht dat het een varken was die door de afrastering was gebroken. We sliepen de hele nacht niet, want het geluid hield maar niet op. Die nacht stak Susan een kaars aan voor een portret van Jezus ,dat bij ons aan de muur hing, en bad. Ik zag de ogen van Jezus naar me kijken en voelde me slapeloos, ziek en schuldig.”

’s Ochtend liep Ali met een revolver om het huis
“De afrastering was nergens kapot. Wel waren er overal pootafdrukken te zien.  Zowel naast-  als ook onder het huis. Ik werd banger dan ooit. Ik wist  namelijk wel dat die nacht de duivel geprobeerd had me te halen, ziek en slecht als ik was. Zijn pootafdrukken stonden in de grond en in mijn ziel. En steeds keek Jezus me vanaf de muur aan, met die grote ogen. Ik kon niet bidden, Hij wist veel te goed hoe slecht ik was. Zo ging het zes nachten lang door. Elke nacht bad Susan voor mij en brandde een kaars.  En elke nacht dat geknor, gekraak en het schurende geluid van een zwart beest dat tegen de bamboepalen duwde en het huis liet schudden. In de derde nacht schoot ik zelfs met m’n revolver door de vloer. Maar niets hielp. En ik werd banger, zieker, en angstiger. Elke dag zei Susan tegen me dat ik moest bidden, omdat bidden helpt. Ik kon het niet, ik durfde het niet. Ik dacht dat ik niet te redden was.”

Toch op de knieën
“De zevende nacht kroop ik vertwijfeld uit bed en ging naast Susan op de knieën liggen. Onder ons gromde en raasde dat duivelse varken. Ik zei tegen Jezus dat ik alles goed zou maken. Dat ik alles aan Susan zou vertellen en dat ik mijn verdere leven voor Jezus wilde werken.”

En toen werd de nacht opeens stil…

“Jezus heeft me bevrijd. Niet opeens, maar langzaam. De koorts werd minder, ik werd sterker. Ik dacht na over wat ik allemaal goed moest maken. Wat zou ik Susan vertellen? Hoe kon ik voor Jezus aan het werk gaan? Ik heb toen alles aan Susan vertelt. En haar telkens verzekerd dat ik nu wél een goede man zou worden. Daarna ben ik naar een vroegere klasgenoot gegaan die dominee is op Negros. Die zei dat er op Guimaras nog geen kerk was. Toen viel alles op z’n plaats. Ik had heel veel grond met inderdaad een prachtig uitzicht over de heuvels, de boomgaarden en de zee erachter. Daar kijkt de kerk nu op uit. Zo moet het zijn: Jezus komt eerst, dan andere mensen en dan ik.”

Ons geloof is bedoeld om te delen
Peter: ”In de Filipijnen heb ik ervaren dat de duivel echt bestaat. Maar ook dat Jezus  veel meer voor mij is gaan leven. De ervaringen in verschillende culturen, tradities en vormen van geloven zijn prachtig. Wij zijn erdoor veranderd.  Wat vroeger vooral vreemd en anders was is nu vaak veelzijdig en bijzonder. We zien dat God wereldwijd werkt en dat ons geloof is bedoeld om te delen.”